| |
De doorbraak
De golven bruisten weer zoals het schuim dat op een lekker heet bad stond, alleen was het nu de zon die het water verwarmde. Hij lag op het goudbruine zand samen met z’n vrienden. Steven had nog nooit zo van z’n vakantie genoten: zee, zon, strand, vrienden, lieven, uitgaan, bier,...
Wat wou hij nog meer, had hij bij zichzelf gedacht. Toch was er iets wat hem bezighield sinds het begin van de vakantie en hij wou het niet kwijt, aan niemand of toch wel? Steven was wel open met zijn vrienden, maar toch z’n diepste gevoelens en gedachten hield hij voor zich of hij gaf ze stapsgewijs en goed voorbereid weer zoals de toekomst, waarvan we alle geheimen ook stap voor stap te weten komen.
Toch waren er enkele “amigos” daar, die hij sinds lange tijd kende en die hij volledig vertrouwde, waartegen hij ‘het’ verteld had.
Het was inmiddels avond geworden en de zon kleurde met haar laatste krachten de hemel donkeroranje en reeds een beetje rood af achter de puntige bergen van San Carlos, het kleine vissersdorpje.
Hij zat daar nu alleen in zichzelf gekeerd op het reeds afgekoelde zand. Het prachtige natuurbeeld gaf hem werkelijk kracht en moed. En hij besefte dat er ergere dingen waren in de wereld dan hetgeen waarover hij piekerde. Morgen ging hij het doen, ja, morgen zal het “de” dag zijn, de dag waarop hij zijn moed zou tonen, de dag waarop zijn schaamte zou verdwijnen zoals de zon dat nu deed achter de bergen...
De dag brak aan, de krekels werden door het daglicht het zwijgen opgelegd, de muggen en de vleermuizen hadden donkere holtes opgezocht.
De geur van Frans brood en verse croissants hadden hem het water in de mond doen komen. Hij at met genoegen en het smaakte hem werkelijk. Nu was het tijd om naar het reeds lichtjes opgewarmde strand te gaan. Steven riep zijn zus, de zus waarvan hij zoveel hield, de zus waar hij alles voor over zou hebben, de zus die hij altijd zou helpen, de zus die hij altijd zou missen als ze weg was, de zus die nu 20 was en mentaal gehandicapt. Sarah heette ze.
Ze lachtte altijd naar “jan en alleman”, ze was altijd blij en gelukkig met het kleinste en eenvoudigste dingetje. Het innerlijke geluk van dit meisje kon met dat van niemand anders vergeleken worden. Hij was trots op haar en z’n schaamte was overwonnen door moed.
Daar gingen ze dan, hand in hand, en ze lachten naar elkaar. Ze sloegen de grindweg naar het strand in, eerst een beetje onzeker, maar daarna met een stevige pas. In de verte zag hij al z’n vrienden en vriendinnen zittend op het strand of duikend in het zoute, verfrissende water.
Dit was het moment waarop z’n moed het hoogst was; dit was het moment waarop hij weer een stukje van zijn leven, van zichzelf zou blootgeven, hoe moeilijk ook. In het begin aarzelde hij een beetje, dit was de eerste ontmoeting tussen zijn zus en zijn vrienden.
Naarmate de golven opsloegen, naarmate de zon naar haar hoogste punt streefde, naarmate de temperatuur steeg, leerden ze Sarah een beetje beter kennen. Ze namen haar op, eerst een beetje onzeker, maar daarna genoten ze van haar aanwezigheid, haar persoonlijkheid, maar vooral haar eigenheid. Steven voelde zich zo gelukkig en nu zo zelfverzekerd.
Hij keerde terug naar huis met een overweldigend geluk in zich dat hij nog niet veel gevoeld had.
Ze sloegen opnieuw de grindweg in en hij kon het niet laten nog even om te kijken... Het water was helderder dan tevoren, de meeuwen vlogen zo sierlijk, de lucht was blauwer, het zand mooier, de schelpen verfijnder, of beeldde hij het zich maar in...?
Steven, 16 jaar
>>
terug
|
 |